Vaccineren

Vaccineren, want voorkomen is beter dan (niet kunnen) genezen

Van tijd tot tijd zijn sommige onderwerpen “hot” onder hondeneigenaren. Ingegeven door felle bewoordingen op het internet of rumoer in de media is de mening snel gevormd. Deze gang van zaken is niet voorbehouden aan diereigenaren, ouders van meisjes liepen te hoop toen de overheid wees op het belang van de bescherming tegen een infectieuze aandoening van de baarmoeder die middels een vaccinatie te beteugelen zou zijn.
Dat de massa ook ineens “voor” kan zijn bleek wel toen in Nederland duizenden dieren afgemaakt moesten worden vanwege de mond- en klauwzeer, een drama wat met vaccinatie te voorkomen was geweest.
Het is al bijna een eeuw geleden dat de eerste experimentele ervaringen werden opgedaan met het vaccineren van honden zodat de huidige inzichten op een lange ervaring gebaseerd zijn. In deze aflevering van ‘Tot op het bot” zal ik het vaccineren van de hond nader toelichten.

Het afweerapparaat

Het afweerapparaat van de hond is het geheel aan verdedigingsmechanismen die het lichaam heeft om infecties de baas te worden. Vele kleine “beestjes” kunnen een infectie veroorzaken maar virussen en bacteriën zijn wel de bekendste. Populair gezegd zijn deze beestje op zoek naar een gastheer waar ze zich ongestoord kunnen voeden en voortplanten. Is dit gelukt dan is het uit het oogpunt van het virus of bacterie niet erg meer dat hierbij de gastheer te gronde gaat.

Aan de andere kant heeft de hond een heel leger paraat om iedere indringer die ook maar een poging doet om zich te vestigen in het hondenlichaam stevig te lijf te gaan. De kwaliteit van dit leger is ernstig afhankelijk van genetische factoren, voedingsfactoren en factoren die buiten het hondenlichaam zijn gelegen zoals stress en infectiedruk.

Genetische factoren

Door afwijkingen in de genen kunnen stoornissen in het afweerapparaat ontstaan waardoor de (locale) afweer afneemt. Een bekend voorbeeld hiervan vinden we bij de Duitse Herder die een “IgA-deficiëntie” kan vertonen. Verschillende typen afweerstoffen (immunoglobulinen genaamd) komen op verschillende plaatsen voor in het lichaam, zo kennen we bijvoorbeeld IgM, IgA, etcetera. IgA oefent vooral zijn functie uit op huid en slijmvliezen. Sommige Duitse Herders hebben meer huid- of maagdarmstoornissen omdat hun tekort van IgA leidt tot klinische problemen.

Voedingsfactoren

Als het lichaam afweerstoffen wil vormen dan heeft het daarvoor bouwstenen nodig. Indien deze bouwstenen, zoals bijvoorbeeld eiwitten en vitaminen, onvoldoende voorradig zijn kan dat leiden tot een verzwakte afweer met mogelijk ziekte tot gevolg. Een tekort aan vitamine C is een bekend voorbeeld bij de mens, iedereen weet dat je dan meer vatbaar wordt voor het griepvirus.

Stress

Bij stress wordt vaak gedacht aan een geestelijke belasting maar beter is het om te denken aan een belasting in bredere zijn, lichamelijke belasting hoort hier dan ook bij. Uitputting verlaagt de weerstand net zo goed als te zware psychische belasting.

Infectiedruk

Als de infectiedruk oploopt, dat wil zeggen dat de “vijanden” wel in heel erg grote getale opdoemen dan kan het afweerapparaat ook tekort schieten ten gevolge van de overmacht.

Het mag duidelijk zijn dat het optimaliseren van de positieve factoren en het trachten te voorkomen van negatieve factoren de weerstand ondersteunt en de kans op een infectie, die resulteert in een ziekte, kleiner maakt.
Daarnaast kunnen we het afweerapparaat ook kunstmatig sterker maken en als het ware van extra legers voorzien. Dit doen we eigenlijk als we de hond vaccineren.

De vaccinatie

De vaccinatie is bedoeld om het afweerapparaat te bewapenen in de strijd tegen gevaarlijke infecties die kunnen leiden tot ziekte of de dood. Het gaat hier te ver om de hele medische wetenschap van vaccins te behandelen. In feite komt het er op neer dat we het afweerapparaat van de hond in contact brengen met een “vreemde stof” die qua “uiterlijk” geheel of gedeeltelijk overeenkomt met het “uiterlijk” van een gevaarlijke bacterie of virus.
Door een prachtig systeem in het lichaam wordt de indringer “geïdentificeerd” en vervolgens worden tegen deze indringer talloze specifieke legers en/of herkenningssystemen aangelegd.
Soms is hier nog een tweede stimulans voor nodig die de “booster” wordt genoemd.
Komt binnen de levensduur van deze specifieke bescherming de echte indringer binnen dan wordt deze snel herkend en massaal aangevallen door de verdediging. In dat geval worden de zich snel vermenigvuldigende indringers of direct totaal verslagen of na een langere veldslag verslagen waarbij er dan wel enige gevolgen zijn (ziekteverschijnselen). Kortom, vaccinatie voorkomt een ziekte of maakt de gevolgen veel minder ernstig.
Zo af en toe moet het geheugen van het afweersysteem worden opgefrist met een herhalingsvaccinatie. Hoe vaak hangt af van de ziekte.

Tegen welke ziekten moeten we vaccineren?

Anno 2012 is dat niet zo’n eenvoudig te beantwoorden vraag. Uit bovenstaande heeft u al kunnen begrijpen dat genen, voeding, huisvesting en stress een rol spelen bij de infectierisico’s. Voeg daarbij nog eens het gebruik van de hond, ”roedelgenoten”, mogelijke aanwezigheid van mensen of kinderen in het gezin met een verlaagde weerstand, rasgevoeligheden voor ziekte, onbekende entstatus moederdieren, importhonden uit verre landen, locale infectiedruk, etc. en dan kunt u zich voorstellen dat een goed vaccinatieadvies een individueel advies behoort te zijn dat gebaseerd is op bovenstaande feiten. Uw dierenarts beschikt natuurlijk over voldoende kennis op dit gebied en samen met u en het hem bekende medische dossier van de hond kan er een deskundig en medisch verantwoord advies gegeven worden. LET OP: voor iedere vaccinatie dient ieder dier grondig onderzocht te worden; volgens de Wet Uitoefening Diergeneeskunde dient een dierenarts zich eerst te overtuigen van de gezondheid van een dier (zie ook bovenstaande) alvorens een vaccinatie toe te dienen.
Ziekten die in de West-Europese regio de aandacht verdienen zijn onder andere Rabiës (hondsdolheid), ziekte van Weil, Influenza, Bordetella, Hondenziekte, Parvo, besmettelijke leverziekte en Herpesvirus (fokteven).

Waarmee en hoe vaak moeten we vaccineren?

Het is van groot belang dat er wordt gevaccineerd met vaccins die geschikt zijn tegen de locaal voorkomende ziekteverwekkers. In het verleden zijn hier humaan en veterinair wel fouten mee gemaakt. Ziekteverwekkers kunnen in de tijd hun “uiterlijk” aanpassen en dan zou mogelijk een vaccin niet meer kunnen werken. Het is daarom wenselijk dat er van tijd tot tijd onderzoek wordt gedaan naar het voorkomen van bacteriën en virussen en hun “uiterlijk”.
Op de dag dat ik dit schrijf staat er ook weer in de krant te lezen dat onze veestapel wordt opgeschrikt door een nieuw (?) virus dat koorts en diarree veroorzaakt en koeien en schapen ziek maakt waardoor de koeien veel minder melk gaan geven en de schapen afwijkende lammetjes krijgen.

Op de vraag hoe vaak we moeten vaccineren is moeilijker een antwoord te geven. In principe worden hier richtlijnen voor uitgegeven door wetenschappelijk commissies en de instanties die de registraties van vaccins controleren en vaststellen. De dierenarts zal echter altijd attent moeten blijven zijn op factoren die afwijken van het gewone en eventueel een aangepast schema adviseren. Ook het gebruikte vaccin speelt een rol bij deze beslissing.
Het mooiste zou zijn als we in het bloed van de hond zouden vaststellen hoe goed de afweer nog is tegen bepaalde infecties. Dit onderzoek is echter veel te kostbaar en in praktijk wordt daar van afgezien en wordt een vaccinatieschema gehanteerd waarvan verwacht mag worden dat het de verdediging op peil houdt.

De afgelopen jaren zijn we in Nederland en daarbuiten opgeschrikt door verschrikkelijke bedreigingen zoals het West-Nilevirus, SARS, Mond- en Klauwzeer en Vogelgriep. SARS ontregelde locale economieën, Mond- en Klauwzeer leidde tot het afdoden van enorme veestapels en miljoenen stuks pluimvee zijn afgemaakt in het kader van de vogelgriep, er werd gesproken van twee Amsterdamse Arena’s vol.
Helaas kunnen we niet tegen alle gevaarlijke indringers vaccineren en soms is het vanwege politieke en / of economische redenen niet toegestaan.

In onze kliniek zien we wekelijks de gevolgen van onvoldoende of onjuiste vaccinaties bij hond en kat. Met name uit het Oostblok komen bijvoorbeeld nog regelmatig hondjes die Parvo krijgen doordat de moederdieren onjuist of onvoldoende zijn gevaccineerd.
Indien een voldoende hoog percentage van de hondenpopulatie wordt gevaccineerd hebben gevaarlijke virussen en bacteriën minder kans een onbeschermd dier te vinden en kunnen zij dus minder goed vermenigvuldigen en verspreiden. Indien van een populatie dieren in een regio minder dan 70% gevaccineerd is neemt de kans op een uitbraak van de betreffende ziekte sterk toe.

Het is de verantwoordelijkheid van dierenartsen en hondeneigenaren om de honden optimaal te beschermen, kritisch en volgens de laatste medische inzichten, tenslotte is voorkomen beter dan (niet kunnen) genezen.