Voeding van de hond – Feiten & Fabels deel III

Wat is een eiwit?

Chemisch gezien is een eiwit een verzameling van aminozuren en dit zijn de stikstofleveranciers van het lichaam. Eiwitten zijn makkelijker voor te stellen als een kralensnoer van verschillende kralen. De hoeveelheid en de volgorde van de kralen aan het snoer bepalen de eigenschappen van het eiwit. De aminozuren (kralen) kunnen worden verdeeld in essentiële aminozuren en niet essentiële aminozuren. De essentiële aminozuren kan een dier NIET zelf maken en deze MOETEN in principe door de voeding worden voorzien.
In de diervoeding kennen we twee bronnen van eiwitten: dierlijke- en plantaardige bronnen. Indien de eiwitten niet zijn voorbehandeld kan je stellen dat dierlijke eiwitten beter verteerbaar zijn voor vleeseters zoals de kat en de hond.
In de moderne voedingstechnologie is het mogelijk om eiwitten te hydrolyseren, hierbij worden grote eiwitten gesplitst in kleinere stukken waardoor de verteerbaarheid toeneemt ten opzichte van niet gesplitst eiwit. Op deze manier kunnen eiwitten van plantaardige oorsprong ook zeer geschikt worden voor gebruik in de voeding van hond en kat. Deze technologie is echter kostbaar en wordt daarom nog niet in veel voeders toegaepast.

Waarom heeft een dier eiwit nodig?

Bijna alle weefsels in het lichaam zijn grotendeels opgebouwd uit eiwitten. Daarnaast maken eiwitten deel uit van hormonen, enzymen, ontgiftingsmechanismen, afweerstoffen en spelen ze een belangrijke rol in de waterhuishouding.
Productie van deze weefsels (groei, vervanging) kost veel eiwit maar ook zaken als lactatie en het onderhouden van een (half)lange vacht vergen veel eiwit.
Onderzoek heeft uitgewezen dat de tevenmelk bij kleinere hondenrassen ca. 32% eiwit bevat en dat de tevenmelk van grotere hondenrassen ca. 36% eiwit bevat.

Welke grondstoffen leveren eiwit?

Op zich zijn dat er veel maar niet allen worden gebruikt in de diervoeding. Meestal zijn de eiwitten afkomstig van vlees, gevogelte, vis, granen, eieren en biergist.
Mensen die verantwoordelijk zijn voor de productie van een diervoeding zullen allereerst het gewenste aminozuurpatroon voor het dier vaststellen, met andere woorden: “welke kralen heeft dit dier nodig en in welke verhouding”. Vervolgens wordt dit gewenste patroon bereikt met een mengsel van een aantal eiwitbronnen.
Dit is te vergelijken met een schilder die een kleur blauw van de hemel wil schilderen maar deze niet op het palet heeft. Door nu de juiste kleuren in de juiste verhouding te mengen krijgt hij de gewenste kleur.

Verteerbaarheid van eiwitten

Hier treffen we grote kwaliteitsverschillen aan tussen de verschillende soorten diervoeders. Per diersoort verschilt de verteerbaarheid van eiwitten maar voor de hond kunnen we stellen dat eiwitten afkomstig van eieren en melkeiwitten (caseïnaat) de hoogste vertering halen. Worden eiwitten gehydrolyseerd dan stijgt de verteerbaarheid.
Lederen schoenzolen zijn weliswaar van dierlijke oorsprong maar een hond kan er niets mee, de verteerbaarheid is uitermate laag. Dit geldt ook voor niet gehydrolyseerde eiwitten van runderhuid, pezen, kapsels, etcetera.

Wat vertelt de verpakking u over eiwitten?

Helaas is het zo dat de wet duidelijke grenzen stelt aan wat er op een verpakking mag staan. In het algemeen mogen er geen kwaliteitskenmerken op vermeld worden. We moeten het doen met een analyse waarin een eiwitpercentage staat vermeld. Weliswaar wordt er een ingrediëntenlijst vermeld maar die zegt niets over verteerbaarheid en de mate waarin dat ingrediënt bijdraagt in de eiwitvoorziening.
Eiwit is een erg dure grondstof en een goede kwaliteit eiwit in het product zal de prijs doen stijgen.

Hoeveel eiwit heeft een hond nodig?

Deze vraag is moeilijk algemeen te beantwoorden omdat de eiwitbehoefte sterk verschilt ten gevolge van individuele verschillen. Een minimaal gehalte is wel bepaald maar dat is echt het gehalte wat nodig is om in leven te blijven en niet meer dan dat.
Naast de minimale behoefte is er voor ieder dier een optimale behoefte en een goede fabrikant zal wat reserve toevoegen om een dier bij een verminderde voeropname ten gevolge van braken, diarree, parasieten, verminderde eetlust, stress toch voldoende te kunnen voorzien van eiwit. Een standaardvoeding voor volwassen honden bevat al gauw meer dan 20% eiwit in het product, prestatie en pupvoeders kunnen oplopen tot wel 36%. LET WEL we praten hier over percentages eiwit in DROOGvoer, dat wil zeggen brokken met 8-10% vocht. Dit zijn percentages in het product en dit is eigenlijk een groffe indicatie. Wetenschappelijk gezien moeten we spreken over een hoeveelheid eiwit (gram) per eenheid van energie, bijvoorbeeld 50 gram eiwit per 1000 kCal.
(Super)Premium hondenvoeders voorzien, mits juiste product gekozen, voldoende in eiwit.

Ondervoorziening van eiwitten

Eigenlijk is dit een bedreigende situatie voor het lichaam. Gezien de levensbelangrijke functie die eiwitten vervullen in het lichaam is een tekort aan eiwit een directe bedreiging voor de gezondheid. Zeker bij dieren die een verhoogde behoefte kennen (sporthonden, groeiende honden) zal een tekort funest zijn. Ook moeten we ons realiseren dat een tekort aan eiwit in de groeiperiode voor onherstelbare weefselschade kan zorgen die later in het leven voor problemen kan zorgen.
Een tekort aan eiwit zorgt voor een slechte algemene conditie, ondermijnt de weerstand en zal bij een groeiend dier tot groeivertraging leiden.

Overvoorziening met eiwitten

Dit zal in de praktijk niet zo heel vaak voorkomen indien de juiste producten worden gevoerd. Dieren die voornamelijk vlees krijgen gevoerd en dan wel het gemiddeld wat betere vlees zoals hart en kopvlees lopen wel risico’s. Deze voeding bevat gemiddeld ca. 56% eiwit in de droge stof en is gevaarlijk voor de hond, ook de minerale samenstelling van vlees kan grote gevolgen hebben voor de bijschildklieren (mineralenbalans). Hond en kat zijn weliswaar vleeseters maar in de natuur eten zij dermate veel onderdelen van hun prooi dat het gemiddelde eiwitgehalte beduidend lager ligt dan dat van vlees alleen.
Een gehalte van ca. 40% eiwit in de droge stof bij een normale energie-inhoud is echt wel het maximum, de rest van het eiwit wordt nutteloos verbrand. Maar dit gehalte wordt eigenlijk alleen maar bereikt met zelfgemaakte voeders.
Overvoorziening van eiwit tijdens de groei zal met de moderne voeders niet snel gebeuren, de meeste pupvoeders benaderen hoogstens de eiwitgehalten van tevenmelk. Het is een fabeltje dat eiwitten zouden bijdragen aan het ontstaan van groeistoornissen, dit is al in 1993 wetenschappelijk weerlegd door Dr. R.C. Nap die mede op dit onderwerp is gepromoveerd. Eiwitten zorgen ook niet voor een grotere hond, alleen het omgekeerde is waar: bij een tekort aan eiwit in de jeugd haal je de grootte niet die in je genetisch bouwplan is vastgelegd.
Ook is het een fabeltje dat eiwitten schadelijk zouden zijn voor de nieren van de hond. Dit is wel aangetoond bij de rat, maar zeker niet bij de hond.
Wel is aangetoond bij honden met melkkliertumoren dat de honden die een hoog eiwitrantsoen kregen significant langer leefden dan de honden die gevoed werden met een standaard eiwitgehalte in het rantsoen.

Dieren met een verhoogde energiebehoefte

Als we de eiwitbehoefte van een volwassen hond als referentie nemen dan hebben sporthonden, drachtige of lacterende teven en groeiende dieren een hogere behoefte.
Maar ook zaken als stress, herstel na operatie en bepaalde ziekten kunnen zorgen voor een (tijdelijk) grotere eiwitbehoefte.

Nieraandoeningen en eiwit

Naarmate honden ouder worden neemt de nierfunctie af. Regelmatige controle door bloedonderzoek is dan ook raadzaam om de ziekte in een vroeg stadium te kunnen onderkennen en te bestrijden. Indien de bloedwaarden duidelijk afwijkend zijn moet worden voorzien in een nierdieet met zeer hoog verteerbare eiwitten doch met een beperkte hoeveelheid. Indien de nieraandoening gepaard gaat met eiwitverlies via de urine moet dit gecompenseerd worden door de voeding.

Wat kan er mis gaan in de dagelijkse voeding van de hond ten aanzien van de eiwitvoorziening?

Meest voorkomende fout die wordt gemaakt is een pup te snel overzetten op voeding voor de volwassen hond die veel armer is aan eiwit. Hierdoor loopt de pup een tekort op met alle gevolgen van dien. Zeker pups van grote rassen die gebaat zijn bij een goed ontwikkeld spierstelsel ter stabilisatie van matige gewrichten mogen zeker niet te vroeg overschakelen naar voeding voor volwassen honden. Hoe kan je spieren bouwen als de bouwstenen niet worden geleverd?
Eerst groeit de pup in de hoogte en daarna zal het spiervolume nog toenemen. Moment van overschakelen is rasafhankelijk.

Ook niet alle puppymelkproducten zijn even rijk aan eiwit, men dient goed te letten op de gehalten. Rundermelk is zeker niet geschikt voor pups, een goede kunstmelk of hoogstens geitenmelk kan enigszins de tevenmelk vervangen.

Verder ontstaan regelmatig tekorten of overschotten ten gevolge van zelfgemaakte voeding. Indien met een hond “natuurlijk” wil laten eten, voor zover dat bij het betreffende ras verantwoord is, kan men het meest praktisch voorzien van gemalen eendagskuikens of ratten. Een kwalitatieve en uitgebalanceerde voeding verdient eigenlijk bij iedere hond de voorkeur, dit geeft de minste risico’s voor wat betreft een onder- of overvoorziening.

Een echte fabel is dat een ei goed is voor de vacht van de hond, hier zit wel ergens een kern van waarheid in maar deze wordt meestal over het hoofd gezien.
Weliswaar bestaat de vacht uit eiwit maar het ei-eiwit zal niet heel veel meer brengen dan een goede voeding. Bovendien is een rauw ei mogelijk schadelijk: de dooier bevat avidine wat in de darm de vitamine B opname kan verstoren. Nee, wil je de vacht echt laten glimmen dan moet je de rauwe eidooier in de vacht smeren! Daarom bevatten hele goede shampoos ook ei-extracten.

Kort samengevat

Honden hebben als vleeseter een redelijk grote eiwitbehoefte, bovendien zijn er allerlei omstandigheden die de eiwitbehoefte doen stijgen. Vanwege de kosten bevatten hondenvoeders niet allemaal optimale gehalten en samenstellingen.
Het zelf bereiden van voedsel houdt een groot risico in van onvoldoende of overmatige voorziening van aminozuren, zeker bij pups dient dit afgeraden te worden. Bij oude honden is er een belangrijke relatie tussen eiwitvoorziening en de nierfunctie. Regelmatige controle van de oude hond door een dierenarts is dan ook aan te bevelen.

© 2010 Dierenarts B.J. Carrière, Sterkliniek Dierenartsen Ermelo.