Voeding van de hond – Feiten & Fabels deel I

Inleiding

In de huidige tijd komt er steeds meer belangstelling voor de voeding van mens en dier. Een Grieks wijsgeer, Hippocrates, zei 2500 jaar geleden al: “laat voeding uw eerste medicijn zijn”. Het probleem wat zich nu voordoet is dat het moeilijk is om aan algemene kennis te komen over de voeding van de hond. Internet kan soms helpen maar daar lijken ook meer fabels dan feiten te huizen. Daarom nu in een aantal artikelen informatie over de voeding van de hond. In de tekst zal verder uitgegaan worden van de voeding van de hond tenzij anders vermeld.

Waarvoor dient voeding?

De voeding dient in de eerste plaats de energie te leveren die een hond nodig heeft om te kunnen functioneren. De westerse hond leeft bij een omgevingstemperatuur die lager is dan zijn eigen lichaamstemperatuur dus het dier zal er voor moeten zorgen niet af te koelen. Daarnaast is energie nodig voor allerlei stofwisselingprocessen en activiteit.
Een 2e belangrijke functie van de voeding is het aanleveren van alle benodigde voedingsstoffen. Het dier moet vele stoffen maken zoals weefselcomponenten, enzymen, hormonen, etcetera. Voor sommige bouwstenen is de hond volledig afhankelijk van de voeding omdat het dier niet in staat is deze zelf te maken. Indien een stof via de voeding voorzien MOET worden spreken we van een “essentiële voedingsstof”.

Rasgebonden verschillen

De behoefte van een hond aan energie en voedingsstoffen is geheel afhankelijk van de omstandigheden. Hierbij valt te denken aan omgevingsfactoren (temperatuur), fysiologische factoren (groei, dracht, werk) en aan rasgebonden factoren.
Omgevingsfactoren en fysiologische factoren zijn gemakkelijk voor te stellen en ook bij de mens gekend.
Maar rasgebonden factoren zijn natuurlijk meer bijzonder. Zo is bij de Dalmatische hond de fysiologie van de urinewegen wat anders dan bij andere rassen zodat urinewegproblemen hier eerder op kunnen treden. Bij de Bedlington Terrier weten we dat er een kans bestaat dat de koperstofwisseling niet goed functioneert. De Engelse Cocker en de Shar-Pei kunnen moeite hebben met hun vitamine A voorziening en enkele rassen waaronder de Siberische Husky, kunnen problemen hebben met de opname van zink uit de darm.

Al deze bovengenoemde aandoeningen kunnen leiden tot problemen met een orgaan of algehele malaise voor het dier. Indien deze zaken bekend zijn en het werkingsmechanisme van de aandoening wordt door de wetenschap ontrafeld dan kan een aangepaste voeding helpen. Daar tegenover staat dat bij onvoldoende kennis en / of onjuiste voeding problemen opgewekt kunnen worden.

Heeft een dergelijke aandoening een erfelijke achtergrond dan is het natuurlijk zaak om de verspreiding binnen het ras zo nauwkeurig mogelijk in beeld te brengen en vervolgens met foktechnische maatregelen de aandoening uit te bannen.

Dit waren enkele voorbeelden van voedingsgerelateerde aandoeningen ten gevolge van een afwijking binnen een ras. Een ander gekend rasverschil is dat een Labrador van 40 kilogram met dezelfde activiteit als een Duitse Herder van 40 kilogram 12% minder kan eten en toch keurig in conditie blijft. Hier zien we dus een rasverschil inzake efficiëntie van vertering en / of stofwisseling. Dit verklaart tevens het feit dat de zogenaamde algemene voertabellen afwijkingen kunnen vertonen bij individuele honden.

Ondervoorziening

Bij een onjuist voerbeleid kan een dier in een tekortsituatie worden gebracht.
Betreft het een tekort aan energie dan zal de hond teruggrijpen op zijn eigen lichaamsreserves en eerst de vetreserves aanspreken alvorens de eiwitreserves te gaan verbranden. Uitwendig zal de eigenaar na verloop van tijd als eerste vermagering opvallen.

Tekorten aan voedingsstoffen zijn soms zichtbaar. Een bekend voorbeeld hiervan is het tekort aan foliumzuur ten tijde van de dracht. De kans op nakomelingen met een gespleten gehemelte is dan levensgroot aanwezig.

Het is tevens een mooi voorbeeld van de verstoorde balans tussen aanbod en behoefte. U kunt zich voortstellen dat de behoefte van een drachtige teef met in de baarmoeder tien pups heel anders kan zijn dan de behoefte van een teef met maar twee pups in de baarmoeder.

Het meest gevaarlijk is de situatie waarbij een ondervoorziening optreedt waarvan de gevolgen niet direct zichtbaar zijn maar die pas later in alle ernst duidelijk worden. Zeker als dit in de éénmalige aanlegfase van organen en structuren gebeurt.

Uit de voedingsleer bij de mens is bekend dat kinderen die in hun jeugd onvolledig gevoed zijn geworden dat deze in het volwassen levensstadium hier gevolgen van kunnen ondervinden. Te denken valt hierbij aan slechte gebitten en gewrichten op oudere leeftijd bij de mensen die bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog hun jeugd gedwongen in kampen moesten doorbrengen.

Het grootste probleem is hierbij dat sommige lichaamsstructuren (zenuwstelsel, kraakbeen, gebitselementen) maar één keer aangelegd kunnen worden en in het latere leven niet meer “gerepareerd” kunnen worden. Daarom zijn aandoeningen van het zenuwstelsel, kraakbeen en gebit ook vaak zo definitief en ernstig.

Overvoorziening

Ook hier schuilen behoorlijk wat risico’s waar zeker geldt dat eigenaren zich niet voldoende rekenschap geven van de mogelijke gevolgen.

De aanwezigheid van de vele dieren met overgewicht in Nederland laat al zien dat veel honden een overmaat aan energie krijgen. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid van het dier. Met name bij de kat zien we dan nu ook het aantal gevallen van suikerziekte al toenemen.

Een veel gehoorde uitspraak is: “baat het niet dan schaadt het niet”.
Dit hoor ik eigenaren regelmatig zeggen over het gebruik van vitamine C.
Vitamine C heeft verzurende eigenschappen en veel vitamine C werkt dan ook verzurend op het lichaam en de lichaamsvloeistoffen.
Een overmaat vitamine C wordt via de urine uitgescheiden, dit is een feit. Het is een fabel dat overmaat vitamine C niet schadelijk kan zijn want die overmaat wordt in de nieren uitgescheiden, het verzuurde bloed heeft dan inmiddels alle organen gepasseerd! Gezien de eerder genoemde verzuring kan het wel degelijk gevolgen hebben. Daarnaast verstoort vitamine C bij groeiende honden het wankele evenwicht tussen botopbouw en botafbraak, nodig voor een goede skeletontwikkeling.
Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een overmaat vitamine C het optreden van skeletafwijkingen tijdens de groei kan bevorderen. Voorlopig wordt dus het toevoegen van vitamine C naast volledige voeding aan jongen honden in de groei afgeraden.

Ik hoop met bovenstaande uw interesse te hebben gewekt voor een verantwoorde voeding van de hond. In volgende afleveringen komen eiwitten, vetten, mineralen, vitaminen en overige relevante zaken nog uitgebreid aan bod.

© 2010 Dierenarts B.J. Carrière, Sterkliniek Dierenartsen Ermelo.