Groeistoornissen deel 2, Elleboogdysplasie (ED) en enostosis

 

Elleboogdysplasie wil zoveel zeggen als een ellebooggewricht dat afwijkt van zijn bedoelde vorm. Sinds 1990 weten we dat we te maken hebben met een erfelijke afwijking op basis van afwijkingen in meerdere genen tegelijk. In 1987 was al aangetoond dat elleboogdysplasie het gevolg was van een groeistoornis die zorgde voor de incongruentie van het gewricht, dat wil zeggen dat de drie botten die het ellebooggewricht vormen niet goed op elkaar aansluiten.
Deze incongruentie leidt tot veranderingen in het gewricht die we kennen als het losse processus anconeus (LPA), losse processus coronoïdeus (medialis) (LPC(M)) en als osteochondrose dissecans (OCD, = loslatend kraakbeen) van de binnenste gewrichtsknobbel van de bovenarm.

Deze aandoeningen zijn meer of minder aanwezig en kunnen leiden tot een zichtbare kreupelheid van de hond die gepaard kan gaan met pijn.

Gezien het grote belang van de bestrijding van de verspreiding van deze aandoening binnen de wereldhondenpopulatie is er een internationale werkgroep opgericht: de International Elbow Working Group (IEWG), deze werkgroep geeft adviezen om de verspreiding van deze erfelijke aandoening tegen te gaan.
Volgens de huidige inzichten en afspraken is er sprake van erfelijke ED indien er sprake is van LPCM, LPA, OCD, kraakbeenafwijkingen van de gewrichtsoppervlakken van de elleboog, incongruentie of een combinatie van deze..
Elke vorm van ED is erfelijk, ook als de hond klinisch geen last heeft.

Geschiedenis

Als eerste vorm van ED is in 1965 de LPA beschreven in de VS bij de Duitse Herder en de Sint Bernardhond.
Meestal worden de wat zwaardere rassen getroffen door ED, niet zelden komt de aandoening aan beide ellebogen voor. Een hoog risico hebben de Berner Sennenhond, Duiste Herder, Golden Retriever en de Labrador Retriever. Daarnaast zijn de Newfoundlander, Sint Bernard, Mastiff, Springer Spaniel, Australian Shepard, Chow Chow, Shetland Sheepdog en de Shar Pei ook vaak aangedaan.

De geslachtsvoorkeur verschilt van ras tot ras. Zijn bij de Berner Sennenhond de teefjes meer aangedaan, bij de Rottweiler zijn het weer meer de reuen die getroffen worden door de aandoening.

Per ras komt meestal de ene vorm van ED meer voor dan de andere: Rotweiler vaak LPC, zelden OCD, Berner Sennehond LPC, Duitse Herder LPA en minder LPC, Labrador vooral OCD. Niet zelden komt elleboog-OCD voor bij honden die ook lijden aan OCD van de schouder, hak, knie of aan HD. Meerdere vormen van ED kunnen tegelijkertijd aanwezig zijn in één elleboog.

De mate en snelheid waarmee zich artrose ontwikkeld in de elleboog is afhankelijk van de mate van incongruentie in de elleboog en de beschadigingen van het gewrichtsoppervlak. ED is lang niet altijd met röntgendiagnostiek te bewijzen, de artroseverschijnselen zichtbaar op de röntgenfoto worden bewijzend geacht voor de aanwezigheid van één of meerdere oorzaken van ED.

Op dit moment wordt de incongruentie die wordt veroorzaakt door een onjuiste vorm van het ellepijpdeel gezien als de belangrijkste oorzaak van ED (Wind 1986, Weis 1983, Bienz 1985). Deze afwijkende ontwikkeling is soms zo duidelijk dat een zichtbaar lengteverschil tussen de kop van het spaakbeen en ellepijp aanwezig is op de röntgenfoto. Dit lengteverschil kan oplopen tot 5 mm en wordt het stapje genoemd.
Als gevolg van deze afwijkingen kunnen symptomen tussen de 4 en 6 maanden leeftijd op gaan treden. De ernst is afhankelijk van de mate van afwijking en het betreffende ras.

De volgende symptomen passen bij de diagnose acute elleboogdysplasie:

  1.  perioden van kreupelheid
  2.  in stand kunnen de ellebogen naar binnen of naar buiten gedraaid worden
  3.  “scheppende” gang, voorvoet supineert (draait open) bij strekken (vooral aanwezig bij tweezijdige aandoening)
  4.  naar buiten draaien van de voorvoet (“wijzen”)
  5.  verzet tegen buigen en / of strekken van de elleboog
  6.  stijve, rechte gang in de voorpoten
  7.  minder actief, minder speels

De symptomen geven geen aanwijzing voor de specifieke vorm van ED, deze moet bij de röntgendiagnostiek of tijdens de operatie definitief vastgesteld worden.

De kreupelheid neemt in de tijd toe door verdikking van het kapsel en toename van de botvorming. In veel gevallen komt het niet tot een kreupelheid en blijft de ED onontdekt. Het zijn deze dieren die bij de voortplanting de ED ongemerkt verspreiden.

Los Processus Anconeus (LPA)

LPA is één van de vormen van ED in het ellebooggewricht van de, snel groeiende, pup van een middelgroot tot groot ras. In dit geval is er sprake van een los stukje bot in het gewricht. Het processus anconeus is een stukje bot van de ellepijp. Bij sommige rassen zit het vast bij de geboorte en raakt het in een later stadium los. Bij andere rassen zit het stukje bot los bij de geboorte (Duitse Herder, Greyhound) en moet het vastgroeien aan de ellepijp en wil dit maar niet lukken. In beide gevallen komt het stukje bot los te liggen in het ellebooggewricht wat aanleiding is tot irritatie. De irritatie gaat over in pijn en de hond zal mank gaan lopen. Als beide ellebogen aangedaan zijn dan kan het kreupel lopen soms moeilijk waargenomen worden. De eerste klinische symptomen kunnen zichtbaar zijn vanaf de 4-5e levensmaand.
De instabiliteit van de elleboog, veroorzaakt door het losse stukje bot, zal resulteren in artrose van het gewricht. De definitieve diagnose wordt met behulp van röntgenfoto’s gesteld.
Omdat de instabiliteit niet vanzelf verbetert is een chirurgische ingreep noodzakelijk. Voor de behandeling bestaat een keuze uit verschillende technieken, bij ieder geval moet individueel bekeken worden wat voor die hond de beste behandeling zou zijn. In bijna alle gevallen zal de artrose, ondanks de chirurgische behandeling, in meer of meerdere mate voortschrijden in de tijd. Sinds 1961 staat al vast dat het bij de Duitse Herder om een erfelijk gebrek gaat en dat betekent dat de preventie gezocht moet worden in foktechnische maatregelen.

Los Processus Coronoïdeus (Medialis) (LPC(M))

Het los processus coronoïdeus is een los stukje bot in het ellebooggewricht van de hond. Het is de meest voorkomende oorzaak van elleboogsdysplasie bij de hond. De aandoening wordt bij veel grote rassen aangetroffen en komt symptoomloos voor bij enkele kleine rassen.
Door een overbelasting van dit stukje bot van de ellepijp gaat het kapot. Het kan afbreken of het oppervlakkige gewrichtskraakbeen raakt beschadigd. In veel gevallen is een incongruentie van het ellebooggewricht de oorzaak. Incongruentie wordt veroorzaakt als de drie botten die het ellebooggewricht vormen niet allen even snel groeien. Hierdoor kan een overbelasting van het processus coronoïdeus ontstaan waardoor het wordt beschadigd.
De hond is kreupel na enige tijd gelegen te hebben of na inspanning. De klachten kunnen ontstaan vanaf de 4e levensmaand. Indien beide ellebogen zijn aangedaan kan het moeilijk zijn om de kreupelheid waar te nemen. De stand van de poot is vrij kenmerkend: de hond draait de ondervoet naar buiten en de elleboog wordt tegen het lichaam gedrukt. Bij bepaalde handgrepen is de elleboog zeer pijnlijk. De aandoening geeft aanleiding tot irritatie van het ellebooggewricht en resulteert in artrose.
De diagnose is in een vroeg stadium met röntgendiagnostiek nauwelijks te stellen, in een licht gevorderd stadium kan een waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld worden. Met behulp van artroscopie is de diagnose zeker te stellen. Uitgebreid onderzoek heeft uitgewezen dat honden die op het juiste moment chirurgisch behandeld worden gemiddeld een betere prognose hebben dan de honden die allen met medicijnen en rust worden behandeld.
Gezien de hoge frequentie waarmee deze aandoening voorkomt bij sommige rassen mag een preventieve werking verwacht worden van gerichte foktechnische maatregelen. Bij de Labrador en de Golden Retriever is de erfelijkheid sinds 1990 definitief vastgesteld.

Osteochondritis dissecans (OCD) van de mediale condyl van de humerus

Deze aandoening komt bij enkele middelgrote tot grote rassen voor en lijkt veel op het beeld van LPC. De binnenste gewrichtsrolkam van de humerus (bovenarm) vertoont bij deze aandoening een beschadiging van het gewrichtskraakbeen. Het klinisch beeld is vergelijkbaar met dat van LPC. De hond kan vanaf de 4-5e levensmaand kreupel gaan lopen. Ook deze aandoening kan beiderzijds voorkomen.
De OCD diagnose is vrijwel zeker te stellen met behulp van röntgendiagnostiek. Bij een snelle chirurgische behandeling is de prognose redelijk tot goed, in ieder geval beter dan die van de LPC. Ook hier moet de preventie gezocht worden in foktechnische maatregelen want onderzoek in bijvoorbeeld 1995 heeft definitief de erfelijkheid bewezen.

Enostosis

Enostosis is een groeistoornis die ook wel bekend is onder de naam “panosteitis eosinophilica”. Helaas is er geen Nederlandse benaming voor. De ziekte komt vooral voor bij pups van snelgroeiende grote rassen en is vooral bekend bij de Duitse Herder. Tijdens de groei van het skelet is er een voortdurende aanmaak en afbraak van bot. Dit proces wordt de “remodellering” genoemd. Omdat in de tijd de opbouw de afbraak overtreft treedt er (lengte)groei op van het bot.
De aandoening geeft aanleiding tot pijn in de lange beenderen en vaak zijn de dieren dan ook wisselend kreupel. De kreupelheid trekt als het ware van het ene bot naar het andere. Vanaf een leeftijd van circa 4 maanden tot een leeftijd van 2 jaar kunnen dieren symptomen vertonen. De aandoening kan zeer pijnlijk zijn en het is dan ook goed om geschikte ontstekingsremmers te laten voorschrijven waardoor de pijn zal afnemen. Bij druk op de lange beenderen kunnen honden een felle pijnreactie laten zien. Met behulp van röntgenfoto’s kan de diagnose definitief gesteld worden. Omdat de verschijnselen omkeerbaar zijn genezen de dieren zonder blijvende gevolgen. De ziekte kan wel terugkomen. Het is aan te raden het rantsoen te controleren omdat een hoog calciumgehalte en / of een hoog vitamine D gehalte het optreden van enostosis kunnen bevorderen.